|
Sectiekamer Vier
Het is zo donker dat ik een tijdje - ik weet niet hoelang precies -
denk dat ik nog bewusteloos ben. Dan dringt langzaam tot me door dat
bewusteloze mensen niet het gevoel hebben dat ze zich door het
donker bewegen, vergezeld van een zwak, ritmisch geluid dat alleen
maar een piepend wiel kan zijn. En ik voel contact van de kruin van
mijn hoofd tot de ballen van mijn voeten. Ik ruik iets dat rubber of
vinyl zou kunnen zijn. Dit is geen bewusteloosheid, en is er ook
iets... wat? Iets dat te rationeel is om dit een droom te laten
zijn. Wat is het dan? Wie ben ik? En wat gebeurt er met me? Het
piepende wiel houdt op mijn zijn stompzinnige ritme en ik beweeg
niet meer.
De man in het zwarte pak
Ik ben nu een erg oude man en dit is me overkomen toen ik erg
jong was - nog maar negen jaar oud. Het was 1914, de zomer nadat
mijn broer Dan in het westelijke veld was gestorven en niet lang
voordat Amerika aan de Eerste Wereldoorlog ging deelnemen. Ik heb
nooit iemand verteld wat er die dag bij de vertakking van de beek is
gebeurd, en dat zal ik ook nooit doen... tenminste niet met mijn
mond. Ik heb besloten het op te schrijven in dit boek, dat ik op
mijn nachtkastje zal laten liggen. Ik heb bijna geen kracht meer,
maar ik denk niet dat het lang zal duren.
Al wat je bemint, zal worden weggevoerd
Het was een Motel 6 aan de Interstate 80, even ten westen van
Lincoln, Nebraska. In de loop van de middag was het gaan sneeuwen,
en toen het daglicht overging in de schemer van januari, was het
knalgeel van het reclamebord al vervaagd tot een vriendelijker
pasteltint. Er kwam een wind opzetten, leeg en krachtig tegelijk,
zoals je die alleen in het vlakke midden van het land aantreft,
meestal in de winter. Dat leverde nu alleen maar wat ongemak op,
maar als er die nacht veel sneeuw viel zou de weg de volgende morgen
worden afgesloten. Dat was voor Alfie Zimmer geen probleem.
De dood van Jack Hamilton
Ik wil dat één ding van het begin af heel duidelijk is: er was
niemand op de wereld die een hekel had aan mijn vriend Johnnie
Dilliger, behalve Melvin Purvis van de FBI. Purvis was de
rechterhand van J. Edgar Hoover, en hij had een godsgruwelijke hekel
aan Johnnie. Alle anderen - nou, Johnnie was gewoon iemand die
mensen sympathiek vonden. En hij was iemand die mensen aan het
lachen kon maken.
In de doodskamer
Het was een doodskamer. Flecher wist dat zodra de deur openging.
De vloer was bedekt met grijze projecttegels. De muren waren van
verkleurde witte natuursteen, met hier en daar donkere vlekken die
bloed zouden kunnen zijn - in deze kamer was in ieder geval bloed
vergoten. De plafondlampen zaten in kooien van metaalgaas. Midden in
de kamer stond een langgerekte houten tafel waarachter drie mensen
zaten. Voor de tafel stond een lege stoel op Flechter te wachten.
De kleine zusters van Eluria
Dit verhaal speelt in de tijd dat Roland nog Walters spoor
volgt. Op een dag in Gewas, zo heet dat het leek of de adem uit
zijn borst werd gezogen voordat zijn lichaam er gebruik van kon
maken, kwam Roland van Gilead bij de poort van een dorp in de
Desatoya-bergen. Hij reisde toen nog alleen en zou binnenkort te
voet verder gaan. De hele afgelopen week had hij gehoopt op een
paardendokter, maar hij dacht dat hij nu niets meer aan zo'n kerel
zou hebben, gesteld dat er al een in dit dorp te vinden zou zijn.
Alles is eventueel
Ik heb nu een goede baan en geen reden om me somber te voelen.
Ik ben niet meer bij die idioten van de Supr Savr, waar we het
wagentjespark beheerden en waar ik lastig gevallen werd door
klootzakken als Skipper. Skipper is tegenwoordig pierenvoer, maar
als ik in mijn negentien jaar op deze planeet Aarde één ding heb
beleerd, dan is het dat je altijd op je hoede moet zijn, want er
zijn overal Skippers.
L.T.'s theorie over huisdieren
Mijn vriend L.T. heeft het er bijna
nooit over dat zijn vrouw verdwenen is en dat ze waarschijnlijk dood
is, het zoveelste slachtoffer van de Bijlman, maar hij mag wel graag
vertellen hoe ze van hem wegliep. Hij rolt daarbij op precies de
goede manier met zijn ogen, alsof hij wil zeggen: 'Ze nam me in de
maling, jongens - ze nam me finaal in de maling!' Hij vertelt dat
verhaal bijvoorbeeld aan een stel kerels die op een van de
laatplatforms achter de fabriek zitten te schaften ...
Het wegvirus rijdt naar het noorden
Richard Kinnell was niet bang toen hij het schilderij voor het
eerst op de rommelmarkt in Rosewood zag. Het schilderij fascineerde
hem, en hij prees zich gelukkig omdat hij iets had gevonden dat
misschien wel erg bijzonder was, maar bang? Nee. Het schoot hem pas
later te binnen ('niet voordat het te laat was', zoals hij misschien
in een van zijn eigen verbijsterend succesvolle romans zou hebben
geschreven) dat hij, toen hij nog jong was, ongeveer net zo over
bepaalde illegale drugs had gedacht.
Lunch in het Gotham Cafe
Op een dag kwam ik thuis van het makelaarskantoor waar ik werkte en vond een brief
- of eigenlijk meer een notitie - van mijn vrouw op de eettafel. Ze schreef dat ze bij mij
wegging, dat ze een tijdje alleen wilde zijn, en dat ik wel van haar therapeut zou
horen.
Ik zat aan tafel op stoel het dichtst bij de keuken en las de boodschap steeds weer
opnieuw. Ik kon het niet geloven.
De enige heldere gedachte die voor zo ik mijn herinner het volgende halfuur in mij opkwam
was: ik wist niet eens dat je een therapeut had, Diane. Na een tijdje stond ik
op, ging naar de slaapkamer binnen en keek rond.
Dat gevoel waarvan je alleen in het Frans kunt zeggen wat het is
Floyd, wat is dat daar? Oh shit. De mannenstem die dat
zei, kwam haar vaag bekend voor, maar de woorden zelf waren alleen
maar een losse flard van een gesprek, zoiets als wat je hoort
wanneer je met de afstandsbediening aan het zappen bent. In haar
leven was niemand die Floyd heette. Toch was dat het begin. Al
voordat ze het kleine meisje in het rode schort zag, waren die losse
woorden er. Maar door dat kleine meisje raakte ze er goed van
doordrongen. 'O-o, ik krijg dat gevoel,' zei Carol.
1408
Mike Enslin bevond zich nog in de draaideur toen hij Olin, de
manager van Hotel Dolphin, in een van de fauteuils in de hal zag
zitten. Mike schrok. Misschien had ik toch de advocaat moeten
meenemen, dacht hij. Nou ja, nu was het te laat. En zelfs als
Olin had besloten enkele barrières tussen Mike en kamer 1408 op te
werpen, was dat niet zo erg: er stond het een en ander tegenover.
Zodra Mike uit de draaideur kwam, liep Olin met een uitgestoken
dikke hand door de hal.
Achtbaan
IK HEB DIT VERHAAL NOOIT aan iemand verteld en ik heb ook nooit gedacht dat ik het zou doen - niet omdat ik bang was dat niemand me zou geloven, maar omdat ik me schaamde... en omdat het van míj was. Ik heb altijd het gevoel gehad dat het verhaal, eenmaal verteld, zichzelf en mij tot iets goedkoops zou maken, iets kleins en banaals, zoiets als het spookverhaal dat de hopman vertelt voordat het licht uitgaat. Misschien was ik ook bank dat als ik het vertelde, als ik het met mijn eigen oren hoorde, ik het zelf niet meer zou geloven. Maar sinds mijn moeder is gestorven, kan ik niet meer goed slapen. Ik dommel in en lig dan opeens weer klaarwakker in mijn bed te huiveren.
Gelukvogel
'O, jij gierige rotzak!' riep ze in de lege hotelkamer, meer
verrast dan woedend. En toen - zo zat ze nu eenmaal in elkaar -
begon Darlene Pullen te lachen. Ze ging in de stoel naast het
omgewoelde, verlaten bed zitten, met het kwartje in haar ene hand en
de envelop waar hij uit was gevallen in de andere hand, en ze keek
tussen die twee dingen heen en weer en lachte tot de tranen haar in
de ogen sprongen en over haar wangen rolden. Patsy, haar oudste
kind, had een beugel nodig. Darlene had geen flauw idee waar ze het
geld voor het ding vandaan moest halen, ze liep er de hele week al
over te piekeren, en als dit niet al de laatste druppel was die de
emmer deed overlopen, wat dan wel?
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
90-245-3924-2 Luitingh-Sijthoff |
90-245-5290-7 Luitingh-Sijthoff |
90-245-5775-5 Poema Pocket |
Stephen King Fanclub Nederland