Er zijn ons een aantal boeken bekend met een voorwoord of inleiding van Stephen King.

We verzamelden ze hieronder voor je, en hebben een kort stukje introductie voor je overgenomen.


De Grote Horroromnibus  & Macaber Trio zijn boeken met de verhalen Frankenstein (Mary Shelley), Dr. Jekyll & Mr. Hyde (Robert Stevenson) en Dracula (Bram Stoker).
De omnibus: ISBN: 90-6213-534-X – uitgeverij LOEB 1983
Het trio: ISBN: geen. – uitgeverij Reprinter later (datum onbekend)
Stephen King schreef een inleiding van bijna 10 pagina’s.

Een kort stukje uit het voorwoord
Binnen het bestek van dit boekwerk zult u drie van de meest duistere scheppingen uit de negentiende-eeuwse Engelse literatuur tegenkomen; velen zullen zeggen – en niet zonder overtuiging -: drie van de allerduisterste scheppingen uit de gehele Engelse en Amerikaanse literatuur. Hier zijn ze, zoals de schrijvers hen aan ons hebben voorgesteld:

Frankenstein
Grote God! Het netwerk van spieren en aderen werd ternauwernood bedekt door zijn gele huid; zijn haar was glanzend en zwart en lang; zijn tanden parelwit; maar door deze schoonheden werd het contrast met zijn waterige ogen, die bijna dezelfde kleur schenen te hebben als de vaalwitte oogholtes, zijn verschrompelde huid en de strakke, zwarte lippen, nog gruwelijker.

Dracula
Zijn gezicht was krachtig, met hoge neusrug, scherpe haakneus en zonderling gewelfde neusgaten; een hoog voorhoofd en haar, dat dun aan de slapen, maar overal anders welig was. Zijn ruige wenkbrauwen, die bijna tot op de neus reikten waren zwaar; de mond, voor zover ik het met de dikke knevel kon onderscheiden, was scherp, zelfs tamelijk wreed, met bijzonder witte tanden, die over de lippen uitstaken. De lippen zelf waren merkwaardig rood voor iemand van zijn leeftijd, en toonden
een verbazingwekkende vitaliteit.
Zijn wat puntig oplopende oren waren bleek, de kin breed en sterk, de wangen mager. Het geheel maakte de indruk van een buitengewone bleekheid.

Mr. Hyde
Hyde was bleek en gedrongen, hij maakte een misvormde indruk, zonder dat er enige mismaaktheid aan hem was waar te nemen, hij had een gemene grijns op zijn gezicht, hij had zich tegenover Utterson gedragen met een mengeling van angst en brutaliteit die moorddadig aandeed en hij sprak met een hese, fluisterende, gebroken stem; dat waren ongetwijfeld dingen, die je tegen hem innamen, maar samen konden ze onmogelijk een verklaring vormenvoor de ongekende afkeer, weezin en angst, waarmee Utterson hem beschouwde.

Zoals ze hier voor het eerst gezamenlijk voor het voetlicht worden gebracht, hebben deze wezens nogal veel met elkaar gemeen, nog afgezien van hun vermogen, de ene generatie lezers na de andere, zonder onderbreking en bij voortduring, de rillingen over de rug te jagen, maar dit feit moet wel vóór alles in ogenschouw genomen worden.
Let eens op: de titels van de drie genoemde boeken, waarvan het laatste in 1897 verscheen, zijn stuk voor stuk gemeengoed geworden in het dagelijks taalgebruik. ‘Die heeft een Jekyll-en-Hyde persoonlijkheid’ is een adequate manier om schizofrenie aan te duiden. ‘Hij heeft een gezicht als Frankenstein’ duidt op iemand die uitermate lelijk is (het naamloze gedrocht en zijn schepper, Victor Frankenstein, zijn inmiddels onontwarbaar met elkaar verweven). ‘Zodra het licht uitging kwam hij als een Dracula tevoorschijn’ duidt op… vul zelf maar in!


FrankensteinFrankenstein van Mary Shelley als Nederlandstalige hardcover in 2006.

ISBN: 90-204-0601-9 – uitgeverij Veen.
Stephen King schreef een vijf pagina’s tellend voorwoord voor dit verhaal dat in 2006 opnieuw is uitgebracht.

Een kort stukje uit het voorwoord
Ik heb bij twee eerdere gelegenheden vrij uitgebreid over Mary Shelleys Frankenstein geschreven – ten eerste voor een omnibusuitgave van wat we de drie Grote Horrorverhalen van de Engelse literatuur zouden kunnen noemen – Dracula, Dr Jekyll en Mr Hyde en het boek dat hier wordt besproken – en ten tweede in mijn informele analyse van horrorliteratuur, Danse macabre. Ik denk niet dat iemand het mij kwalijk kan nemen dat ik dezelfde maaltijd niet voor de derde keer op tafel wil zetten (de derde keer is het sowieso altijd een opgewarmde kliek), dus als je op zoek bent naar een analyse van Frankenstein, stel ik voor dat je Danse macabre ter hand neemt (oppervlakkige analyse), naar de bibliotheek gaat voor een wetenschappelijke analyse of kijkt wat een uittrekselboek te bieden heeft.
Ik wil alleen het volgende in overweging geven: dat meer mensen deze roman hoge verwachtingen zijn gaan lezen en meer teleurgesteld zijn geraakt erdoor dan misschien wel door welk ander boek dan ook uit het Engelse taalgebied. Ik vermoed dat de helft van de mensen die het voor hun plezier gaan lezen het nooit uitlezen, en dat als het op een verplichte leeslijst staat, heel wat studenten het boek slechts vluchtig doorkijken en zich vervolgens door het examen dat onvermijdelijk volgt (zoals, zou je kunnen zeggen, diarree onvermijdelijk volgt wanneer je je te buiten gaat aan gedroogde pruimen) heen proberen te bluffen.
Dit klinkt bepaald niet als een veelbelovend begin voor een inleiding – je kunt je tenslotte terecht afvragen waar een inleiding voor bedoeld is, behalve om de loftrompet te steken over het boek dat de geachte lezer of lezeres zojuist heeft aangeschaft. Nou, een inleiding wordt in elk geval geacht de waarheid te vertellen. Maar houd nog even vol. De waarheid is zo slecht nog niet.
De verwachtingen die de meeste lezers van het boek hebben, zijn gevormd door tientallen huiveringwekkende films, van de originele Frankenstein van James Whale via Blackenstein tot Frankenstein Meets Godzilla. De lezer die een aantal van deze films heeft gezien, verwacht melodrama, dat je de opera van de romanvorm zou kunnen noemen. De lezer of lezeres verwacht gruwelen die hem of haar huiverend van angst de hele nacht wakker zullen houden. De lezers verwachten een soort aangedikt Edgar Allan Poe-verhaal of misschien een Stephen King-verhaal van begin negentiende eeuw. En ze zijn voor het merendeel teleurgesteld. Goeie god, wat zijn ze teleurgesteld!
(enzovoorts)


Heer van de vliegenHeer van de vliegen van William Golding als Nederlanstalige paperback in 2011.
ISBN: 978-90-458-0232-9 -uitgeverij Mouria
Stephen King schreef zes pagina’s voorwoord voor dit verhaal dat in 2011 opnieuw werd uitgebracht.

Een kort stukje uit het voorwoord
Ik ben opgegroeid in een klein boerendorp in het noorden van New England, waar de meeste wegen onverhard waren, waar je meer koeien had dan mensen en waar de school bestond uit één door een houtkachel verwarmd lokaal waarin alle klassen waren ondergebracht. Kinderen die ondeugend waren hoefden niet gewoon na te blijven, maar moesten na schooltijd ofwel houtjes hakken voor de kachel ofwel gebrande kalk in de privaten strooien.
Natuurlijk was er in het dorp geen bibliotheek, maar in de leegstaande pastorie van de methodistengemeente, op een paar honderd meter afstand van het huis waarin mijn broer David en ik zijn opgegroeid, stond één kamer vol met stapels schimmelige boeken, waarvan vele waren opgezwollen tot telefoongidsformaat. Een groot deel van het boekenbestand bestond uit jongensboeken van het slag dat men in Engeland ripping yarns (ofwel ‘superspannende verhalen’) noemt. David en ik waren verwoede lezers, iets wat we van onze moeder hadden, en we stortten ons dan ook op deze schat als een stel uitgehongerde bouwvakkers op een bord stamppot.
Er lagen tientallen boeken over Tom Swift, een jeugdige, maar briljante uitvinder (we grapten vaak dat we vast en zeker nog eens een boek zouden tegenkomen met de titel Tom Swift en zijn elektrische oma), en bijna evenveel over een heldhaftige RAF-piloot uit de Tweede Wereldoorlog, Dave Dawson geheten (wiens Spitfire steeds ‘manhaftig hoogte trachtte te winnen’). We bestreden de kwaadaardige Schorpioen met Don Winslow, gingen op onderzoek uit met de Hardy’s en zwierven er lustig op los met de Rover Boys.
Op den duur – ik denk zo rond de tijd dat John Kennedy president werd – kregen we het gevoel dat er iets ontbrak. Die verhalen waren best spannend, maar… er miste iets. Dat lag misschien deels aan het feit dat de verhalen zich afspeelden in de jaren twintig en dertig, decennia voordat mijn broer David en ik geboren waren, maar dat was niet de hoofdzaak. Er klopte iets niet aan die boeken.
We hadden in ons dorp geen bibliotheek, maar in het begin van de jaren zestig kwam de bibliotheek naar ons toe. Een keer per maand stopte er een aftandse, groene bestelbus voor ons schooltje. Op de zijkant stond in grote, vergulde letters: BIBLIOBUS MAINE. De chauffeuse cum bibliothecaresse was eens struise dame die haast net zoveel van kinderen hield als van boeken en die maar wat graag de titels aanried. Op een dag vroeg ze me, nadat ik twintig minuten lang in de afdeling JEUGDLITERATUUR bezig was geweest boeken van de plank te nemen en ze weer terug te zetten, naar wat voor soort boek ik op zoek was.
Ik moest er even over nadenken, maar stelde toen – misschien toevallig, maar misschien ook wel als gevolg van een ingeving van boven – de vraag die van doorslaggevende betekenis zou zijn voor de rest van mijn leven: ‘Hebt u ook boeken over hoe kinderen echt zijn?’
Daar moest zij even over nadenken, maar vervolgens liep zij naar de afdeling van de bibliobus met LITERATUUR VOLWASSENEN en trok een dun, gebonden boek van het schap. ‘Probeer deze maar ‘s, Stevie,’ zei ze. ‘En als iemand er wat van zegt, zeg dan maar dat je het zelf gevonden hebt. Anders krijg ik er misschien last mee.’
Dat boek was natuurlijk het boek wat u zo meteen gaat herlezen of waar u zich [geluksvogel!] misschien wel voor de eerste keer in gaat onderdompelen.
Stelt u zich mijn verbazing (of misschien is ‘verbijstering’ wel een beter woord) voor, toen ik vijftig jaar na dat bezoekje aan de op het pleintje voor de Methodist Corners School geparkeerde bibliobus, de luisterversie van Lord of the Flies downloadde en William Golding in zijn heerlijk losse inleiding op het door hem zelf meesterlijk voorgelezen verhaal hoorde verwoorden wat mij zelf ook had dwarsgezeten. ‘Op een dag zaten mijn vrouw en ik tegenover elkaar bij de haard, toen ik ineens tegen haar zei: “Zou het niet een aardig idee zijn om eens een verhaal te schrijven over een stel jongens op een eiland, om te laten zien hoe ze zich écht gedragen, gewoon als jongens, en niet als heilige boontjes, zoals ze meestal in kinderboeken worden opgevoerd?” Waarop zij antwoordde: “Dat is een prima idee! Schrijf het maar!” En zodoende ben ik dat boek gaan schrijven.’


De Donkere Toren – Concordantie is een naslagwerk dat is geschreven door Robin Furth. De Stephen King fanclub en enkele van haar trouwe fans hebben geholpen de Nederlandse vertaling tot stand te brengen. ISBN 978-90-245-2245-3 – uitgeverij Luitingh-Sijthoff 2009. Stephen King schreef een inleiding voor het boek van 3 pagina’s. De Concordantie is HET boek voor liefhebbers die De Donkere Toren verder willen uitpluizen en een opfriscursus over de goeden en de kwaden.

Een kort stukje uit het voorwoord
Het verhaal van Roland van Gileads queeste naar de Donkere Toren is één verhaal. Het is een schelmenroman (stel je Huckleberry Finn met monsters voor, en personages die het pad van de Straal bewandelen in plaats van de Mississippi bevaren) en bestaat uit zeven delen (in 2009), met tientallen verwikkelingen en honderden personages. Het is moeilijk te zeggen hoeveel tijd er ‘in het verhaal’ verstrijkt, want in Roland Deschains waar en wanneer is zowel tijd als richting elastisch geworden (dit wordt verder uitgelegd in een voetnoot in het boek). Buiten het verhaal, in wat wij lachend ‘de echte wereld’ noemen, zijn tussen de eerste en de laatste zin tweeëndertig jaar verstreken. Hoe lang waren de perioden tussen de individuele boeken waaruit het gehele verhaal bestaat? Trouwen lezer, ik zou het echt niet weten. Ik denk dat de langste periode zes jaar was (tussen Het verloren rijk en tovenaarsglas). Het mag een wonder heten dat het verhaal ooit is voltooid, maar misschien een nog groter wonder dat er een tweede deel op het eerste volgde, want dat eerste was oorspronkelijk in een heel kleine oplage bij Donald M. Grant, Publishers verschenen. Het manuscript van wat het eerste deel werd, nat en amper leesbaar, uit een schimmelige kelder gered. De eerste met de handgeschreven bladzijden van een tweede deel (als ik me het goed herinner, heette dat Roland Draws Three) ontbraken. God mag weten waar ze zijn terechtgekomen. Zal ik je vertellen wat er met een verhaal gebeurt als het steeds zo lang braak ligt? Wil je dat horen?